“Ze zien je als een grijze klever,” zei ze. “Of eigenlijk, ze zien je helemaal niet, ondanks dat je hier al meer dan 25 jaar werkt.”
Deze woorden begeleidden mijn eerste slechte beoordeling in 25 jaar. En ik snapte wat ze zei, maar was het er tegelijkertijd ook niet helemaal mee eens. Want was het leven niet gewoon grijs? Ja okee, soms was een een spoortje kleur, maar door de grote kleurloosheid van het bestaan, vlakten ook die gewoon af tot grijs. Dus wat had het dan voor zin om je te gaan ‘profileren’, ‘zichtbaar te zijn’ of wat voor modeterm er dit decennium was voor je kop boven het maaiveld uitsteken?
De wereld draait op grijze klevers, is mijn mening. Net als bij mieren of bijen. De grote meerderheid heeft zijn eigen plekje om de wereld waarin zij leven draaiende te houden. En dat is voor mensen niet anders. Heb je wel eens gezien wat er gebeurt als je 2 kapiteins op 1 schip hebt? Dat loopt op de klippen. Maar er zijn wel heel veel matrozen nodig om het schip veilig de haven binnen te krijgen. Met allemaal hun eigen taak en verantwoordelijkheid.
Toen ik 18 was en van de middelbare school kwam, ben ik gaan studeren. Bedrijfskunde, omdat daar altijd wel werk in te vinden zou zijn. Ik was geen hoogvlieger, maar deed hard mijn best en scoorde zeventjes en achten. Net iets beter dan het gemiddelde, maar niet noemenswaardig. TIjdens mijn studie ontmoette ik mijn vrouw. Zij was het zusje van mijn huisgenoot en ik vond haar lief en rustig en vroeg haar mee uit. Uit eten en naar de bioscoop. Ik bracht haar netjes thuis en kreeg een zoen op mijn wang en de vraag wanneer ze me weer kon zien. Zo ondernamen we elke vrijdagavond iets samen en na een half jaar wist ik het zeker; zij paste bij me en ik vroeg haar ten huwelijk. En ze zei ja.
We zijn lang verloofd gebleven, wel een paar jaar. Ik wilde eerst afstuderen en een baan en een huis vinden en zij spaarde door voor haar uitzet en de bruiloft. Want zo ging dat destijds. De baan kwam er en het eerste huurhuisje met 2 slaapkamers volgde.
Onze bruiloft was sober, geen groot feest, maar een kleine 30 mensen die ons na stonden en een bescheiden plechtigheid in het stadhuis. Daarna hebben we met onze naasten nog gedineerd en gingen we voor het eerst samen naar ons huisje.
Het eerste jaar waren we gelukkig met ons tweetjes. We hadden sympathieke buren waar we af en toe een avondje gingen kaarten en in het weekend gingen we samen de natuur in. Na een jaar kwamen de vragen of het niet eens tijd werd voor een baby. Want zo gaat dat bij pasgetrouwde stellen blijkbaar.
Andrea, mijn vrouw, en ik gebruikten al sinds onze huwelijksnacht geen anticonceptiemiddelen, omdat we allebei graag een kind wilden. En het eerste jaar maakten we ons nog geen zorgen, maar naarmate die vraag frequenter gesteld werd, begonnen we ons steeds meer af te vragen of er iets mis was. En werd het ongeremd de liefde bedrijven steeds meer een verplichting op bepaalde dagen. En na anderhalf jaar was er een positieve zwangerschapstest. We waren dolblij dat onze wens vervuld zou worden. Andrea voelde zich goed, had geen last van ochtendmisselijkheid, ze had het alleen steeds koud de eerste weken. We zouden iedereen het heugelijke nieuws vertellen als we de 12 weken gepasseerd waren. Maar die zijn we nooit gepasseerd. Vlak voor de 12e week om was, kreeg Andrea bloedingen en bleek het vruchtje te zijn overleden. Na de miskraam vertelden we de gynaecoloog over de moeite die het ons had gekost om zwanger te worden en hoe het nu verder moest. Zijn antwoord was hard en duidelijk. Andrea en ik zouden nooit samen kinderen kunnen krijgen. Andrea kon blijkbaar wel zwanger worden, maar ze zou nooit een vruchtje kunnen voldragen. Het voelde alsof de bodem onder me wegzakte. En ik kon me niet voorstellen hoe dit voor Andrea zou voelen.
Ik probeerde er zoveel mogelijk voor haar te zijn en langzaam begonnen we ons leven vorm te geven zonder kinderen. We gingen vaak weekendjes weg en hadden vooral veel aandacht voor elkaar. Vakanties waren de meest fijne tijden. Weg uit onze dagelijkse beslommeringen en samen nieuwe avonturen beleven. Eigenlijk hadden we het best goed met ons twee. En dat vonden we allebei. Er was veel liefde en we hadden veel mooie herinneringen gemaakt samen.
De dag dat Andrea een knobbeltje in haar borst vond, was het zonnig. En de dag dat ik haar in het crematorium moest achterlaten, was het nog zonniger. Maar zo gaat dat. Het kan regenen in je leven, zonder dat de regen valt.
Meerdere collega’s en mijn chef waren aanwezig tijdens de plechtigheid en naderhand kwam mijn chef ook naar me toe dat ik vooral de tijd moest nemen en dat er echt geen haast was bij mijn terugkeer op de werkvloer. Hij begreep dat dit verlies groot was. Daar was ik hem dankbaar voor en het feit dat er begrip was, zorgde ervoor dat ik een paar weken later gewoon weer aan het werk ging. Collega’s reageerden vriendelijk en meelevend toen ik weer in mijn kantoortje zat en sneller dan verwacht werd alles weer normaal. Ik deed mijn werk, alleen of samen met anderen, regelmatig kwam een collega langs om vragen te stellen. Het leven werd weer gewoon. Tot ik weer naar huis ging. Want daar wachtte niemand meer om me een dikke kus en knuffel te geven omdat ze blij was dat ik er weer was. Er stonden een kopje en een bordje in de wasbak te wachten om hergebruikt of afgewassen te worden. En er was stilte. Geen fijne, rustgevende stilte, maar een beklemmende nare stilte. Een akelige stilte. Dus werd werken een welkome afwisseling.
Ik hoorde inmiddels bijna bij het meubilair op mijn werk. Het was nog steeds mijn eerste werkgever, ik ben er nooit meer weggegaan. Het werk beviel me prima, net als het salaris en afgezien van elke paar jaar wat onrust door weer een nieuwe reorganisatie, heb ik geen echte stress gekend. Tot het afgelopen jaar. Toen er weer eens een frisse wind door de organisatie moest waaien volgens baas nummer zoveel. De dag na zijn aanstelling liep ik naar mijn kantoor, of althans de plek waar mijn kantoor altijd was. De muren waren uitgebroken en in het midden van de leeggehaalde ruimte stond een doos met mijn familiefoto’s en naslagwerken. Ik keek om me heen en zag meer van dezelfde verdwaasde blikken van collega’s. We verzamelden onze dozen en liepen maar naar de kantine, de enige ruimte die niet aangetast leek te zijn. En daar stond onze nieuwe afdelingscheffin. Strak in de make-up en kleding en op hakken van een hoogte die ik nog nooit had gezien.
“Goeiemorgen allemaal!” riep ze, iets te enthousiast. “Jullie vragen je natuurlijk af wie ik ben en wat er allemaal aan de hand is. Nou dat zal ik jullie uitleggen.” Het half uur daarna was gevuld met heel veel gepoch over haar loopbaan en ervaring en allerlei termen als “het nieuwe werken” “inspiratie” “change” en geneuzel over rijdende treinen die je niet aan je voorbij moest laten gaan. Het kwam erop neer dat later die ochtend onze computers tijdelijk in de kantine opgesteld zouden worden, in afwachting van de definitief ingerichte kantoortuin met flexplekken. Maar we gingen eerst lekker met elkaar “brainen” over hoe wij de toekomst van het bedrijf en natuurlijk onze eigen toekomst zagen.
Als ik in mijn loopbaan iets heb geleerd, is het wel dat het meestal totaal zinloos is om met elkaar te gaan praten over de koers van het bedrijf. Dat kan twee dingen betekenen; ofwel je hebt te maken met een totaal incompetente baas of het is een soort zoethoudertje om het personeel rustig te houden terwijl er hele grote veranderingen op stapel staan. Ik gokte dat het laatste nu aan de hand was. Missy, onze nieuwe cheffin (wat is dat voor naam voor een volwassen vrouw?) leek niet erg geïnteresseerd in onze antwoorden en krabbelde alleen op wat ze zelf goed vond en wellicht ook al voorgekauwd had gekregen. Ik hield me dus maar op de vlakte.
Na de gezamenlijke lunch, waar Missy zelf niets van at, moesten we in groepjes uiteen om de volgekladde flipovervellen te bespreken en de beste punten te selecteren en daar weer een plan van te smeden. Uiteraard kwam ik in het groepje bij Missy. Ik denk dat de ellende daar is begonnen. Ik probeerde me ook in dat groepje weer op de vlakte te houden, maar daar wilde Missy niets van weten. Telkens weer vroeg ze mij specifiek naar mijn mening, nadat anderen die van hen al hadden gegeven en telkens weer antwoordde ik, naar mijn idee diplomatiek, dat ik het moeilijk vond om een mening te vormen als ik niet alle feiten tot mijn beschikking had.
“Maar je hebt hier toch wel een gevoel bij?”
“Nee, niet echt.”
“Dat geloof ik niet. Er moet iets zijn. Misschien diep in je binnenste maar ik geloof nooit dat je geen mening hebt.”
“Nee echt niet. Ik kan me hier nog niet zo goed een mening over vormen, dus heb ik er geen.”
Na een keer of drie zo’n zelfde gesprek werd ze nijdig.
“Nou, we zullen Sjaak maar niet meer vragen, die vindt toch nix.” Ik zei inderdaad niks en kroop nog iets meer in mijn stoel. Ik dacht dat het voor mij gunstig was dat de overige leden van ons groepje zeer actief en enthousiast meededen, maar dat leek haar chagrijnigheid alleen nog maar meer aan te wakkeren. Na elke vraag, kreeg ik een giftige blik toegeworpen en regelmatig probeerde ze de draak te steken met mijn meningloosheid. En omdat mensen kuddedieren zijn, werd die ‘grap’ al snel overgenomen door mijn collega’s. Ik kroop nog meer in mijn schulp. Niet dat dat veel hielp, want hoe minder ik zei, hoe meer daar de nadruk op werd gelegd.
Aan het einde van de brainstormsessie werden de resultaten gepresenteerd. Bij ons gebeurde dat uiteraard door Missy, die met flair en de nodige steken onder water naar mij “Iedereen in onze groep, nou ja, bijna iedereen, was het erover eens..” en dat soort opmerkingen. Ik zag mijn teamgenoten fluisteren naar de collega’s om hen heen en als Missy weer iets in die richting zei, keken ze voorzichtig naar me. Ik heb me nog nooit zo ongemakkelijk gevoeld. En ik voelde ergens diep van binnen mijn maag krimpen en omdraaien. Dit was pas het begin en het zou nog erger worden. Daar waarschuwde mijn lijf al voor.
En erger werd het. Ik had het geluk dat ik tijdens het grootste deel van de verbouwing op vakantie was, zodat ik niet opgepropt met mijn collega’s in de kantine hoefde te zitten. Toen ik terugkwam was de kantoortuin al volledig ingericht. En ik vond het een hel. Er waren te weinig plekken, “want niet iedereen is er altijd tegelijk en als je een overleg hebt, dan maak je gewoon even plaats voor een ander”. Op mijn eerste dag probeerde ik een rustig plekje te vinden, maar dat bleek onmogelijk. Ik hou van stilte. Ik heb stilte nodig om me te kunnen concentreren, maar er was nergens stilte. Overal werd gepraat, gingen telefoons en in sommige delen klonken radio’s.
De volgende dag nam ik mijn noise-reducing koptelefoon mee. Zo kon ik me inderdaad beter concentreren. Mijn telefoon stond op vibreren en lag naast me, zodat ik kon zien als hij ging. Niet dat dat veel gebeurde, er was ook een soort chatfunctie in het intranet ingebouwd met mooie grote en bijna beeldvullende popups en die functie was populairder dan bellen.
De luxe van rust door koptelefoon duurde welgeteld anderhalve dag. Halverwege de middag kreeg ik een popup van Missy dat ze me wilde spreken in vergaderzaal Johannesburg.
“Ga zitten Sjaak.” Ze keek en klonk streng en koud.
“Ik heb klachten gehad over je bereikbaarheid. Mensen kunnen je niet te pakken krijgen met die grote koptelefoon op je hoofd. Dat is natuurlijk niet goed. We moeten samen onze schouders eronder zetten. Dus ook jouw schouders! Ik wil je vragen om vanaf morgen de koptelefoon af te laten en adequaat te reageren op de vragen van je collega’s.”
Ik voelde me alsof ik weer 12 was en bij de hoofdmeester werd geroepen omdat ik mijn walkman op had in de gang.
“Missy, ik heb de koptelefoon nodig om me te kunnen concentreren in de kantoortuin.”
“Ik begrijp dat het even wennen is, maar als je die koptelefoon ophoudt, wen je natuurlijk nooit. Dus we hebben een afspraak?”
Dit gesprek was duidelijk over. Ik knikte en stond op om de vergaderruimte weer uit te lopen. Missy was haar interesse alweer verloren en druk met haar telefoon bezig.
Ik kon het niet opbrengen om meteen weer naar mijn plek te lopen, ik had het gevoel dat de halve kantoortuin naar me keek, en liep naar het toilet en de koffieautomaat. De nieuwe automaten waren van die hippe apparaten waar je capsules in moest doen. En de keuze in capsules was enorm. Het bekijken van de capsules gaf me even een kleine adempauze en de mogelijkheid om me weer te herpakken. Roerend in mijn koffiekopje liep ik weer terug naar mijn plek, waar een van mijn collega’s bezig was om mijn spullen aan de kant te schuiven om er zelf te gaan zitten. Ik keek hem verbaasd aan.
“Ja, Sjaak, je weet toch dat je je spullen moet opruimen als je langere tijd weg bent?”
“Maar ik ben nog geen 20 minuten weggeweest!”
Hij haalde zijn schouders op en ging gewoon verder met het weghalen van mijn spullen.
“Zou je daarmee willen ophouden? Ik ben er nu toch en ik zou graag gewoon weer aan het werk willen.”
“Nee, Sjaak, je kent de regels.” Inmiddels lagen mijn laptop, telefoon en paperassen op een hoopje naast de werkplek en had hij zijn laptop in de docking station gestoken. Ik wist even niet wat ik moest doen. En ineens stond Missy naast me.
“Wat is er aan de hand? Waarom is het hier zo’n rommeltje?”
“Dat zijn Sjaak zijn spullen. Hij was lang weg en ik zocht een werkplek,” antwoordde mijn collega.
“Ik was nog geen 20 minuten weg,” reageerde ik, enigszins pissig. “Je hebt me zelf onverwacht bij je in de vergaderzaal geroepen.”
“Nounou Sjaak, je hoeft niet meteen te gaan schreeuwen. En je weet wat de regels zijn. Als je langer weg bent, dan ruim je de werkplek op.”
“Langer dan wat? 5 minuten? Ik wist toch niet dat ik lang weg zou blijven en bovendien vind ik 20 minuten helemaal niet lang!”
“Sjaak, zo gaan we hier niet met elkaar om. Je kunt een andere plek gaan zoeken. Regels zijn regels,” bitste Missy terug en ze beende weer naar de vergaderzaal die ze de hele dag claimde. Ook tegen de regels, maar bazen staan daar nu eenmaal boven.
Ik zag nog net mijn collega triomfantelijk en vals gniffelen toen ik me omdraaide om mijn spullen te pakken en een andere plek te zoeken. Wat moeilijker bleef dan Missy zei, want het was een drukke dag op kantoor. Er was nog een flexplek over, tussen de koffieautomaat, pauzehoek en toilet, kortom een plek waar de hele dag door mensen langsliepen of stonden te praten. Die dag kwam er dus ook niet veel terecht van werken. Ik kon me gewoonweg niet meer concentreren.
Mijn toiletbezoeken werden weinig en kort, ik nam een fles water mee, zodat ik geen koffiehaalpauzes hoefde te nemen en ik kwam al vroeg op kantoor, alles om gedurende de dag een rustige werkplek te kunnen behouden. En dat ging eigenlijk best makkelijk, want ik werd ook niet meer betrokken bij nieuwe projecten en hoefde alleen nog maar aan te schuiven bij de maandelijkse werkoverleggen waar iedereen bij aanwezig moest zijn. In eerste instantie vond ik het niet zo erg dat ik geen oeverloze meetings over nix meer had. Maar Missy vond dat projecten vooral ook leuk moesten zijn en energie moesten geven, dus het waren ook taartjes of zelfs borrels om kleine successen te vieren. En daar was ik nooit bij, omdat ik niet in projectgroepen zat.
Op een dag hoorde ik Missy aan collega’s vertellen dat ze het heel belangrijk vond dat collega’s in diverse projectgroepen deelnamen, zodat ze elkaar beter leerden kennen en beter leerden samenwerken. Ik keek verbaasd op. Maar waarom nam ik dan geen deel aan projectgroepen? Een week lang probeerde ik Missy deze vraag te stellen, maar ze had nooit tijd. Dus mailde ik haar mijn vraag om vervolgens geen antwoord te krijgen en een melding dat mijn mail ongelezen was weggegooid. Na anderhalve week trof ik haar alleen in de lift naar de parkeergarage.
“Missy, ik hoorde je zeggen dat je het belangrijk vindt dat mensen meer met elkaar samenwerken en dat iedereen daarom aan meerdere projecten deelneemt. Maar ik doe aan geen enkel project mee? Dat snap ik niet helemaal.”
Ze bleef even stil en keek me aan. Haar blik was kil en ze perste haar lippen even op elkaar. Toen zuchtte ze diep.
“Dat klopt, Sjaak. Jij bent namelijk geen team-player. Dus jij hebt in projecten niets te zoeken.”
Ik was verbijsterd. Ik kon haar alleen maar aanstaren en proberen te voorkomen dat mijn mond letterlijk open zou vallen. Gelukkig voor haar gingen de liftdeuren open en kon ze weglopen. Ik kwam pas in beweging toen de deuren alweer dicht gingen.
Eenmaal thuis in mijn veel te stille huis, had ik geen puf meer om eten te maken en ben ik direct naar mijn bed gegaan. Maar echt slapen lukte niet. Ik vroeg me af wat ik moest doen. Ik vond het niet fair, want ik had al die jaren prima in teams gefunctioneerd en aan vele projecten meegewerkt. En ik merkte dat ik me op het werk ook steeds eenzamer ging voelen, omdat ik niet meer kon meepraten, niet eens over persoonlijke zaken, omdat die alleen nog maar met projectgroepleden werden gedeeld. Niemand stelde me nog vragen en er waren inmiddels zelfs dagen bij dat ik niet zoveel te doen had, omdat ze ook de financiële planningen van de projecten zelf organiseerden. Werktechnisch was ik soms zelfs niet meer nodig.
Missy was er nog niet zo lang toen de beoordelingsgesprekken gepland werden. Mijn beoordeling was dus voor het eerst in 25 jaar negatief. Ik wist niet wat ik moest zeggen op haar kritiek dat ik niet betrokken was en dat ik te onzichtbaar was en dat ik me meer moest profileren en me meer moest laten zien. Ze vond dat ik ook te weinig werk afleverde. Ik antwoordde haar dat ze me zelf had gezegd dat ik niet in projectteams thuishoorde en dat ik dan dus inderdaad weinig werk had.
“Kijk, dit is nou die slachtofferrol van je. Ik heb dat nooit zo gezegd. En als je geen werk hebt, dan ga je toch op zoek naar werk? Wat heb jij nodig om je werk te kunnen doen? Als je dat niet krijgt, dan moet je het gaan halen!”
“Maar waar dan? Want jij wilt me niet in projecten hebben?”
“Nee, Sjaak, het gaat hier niet om mij en wat ik wil. Het gaat om jou. Wat wil jij? En wat heb je nodig om dat te bereiken?” Ik had geen enkel weerwoord meer. Zeker niet na haar glasharde ontkenning dat ze me expres niet liet deelnemen aan projecten. Ik liep naar mijn plek en maakte mijn schaarse werk af, zo langzaam als ik kon. En vertrok daarna weer naar mijn mausoleum thuis. Ik had me nog nooit zo eenzaam gevoeld. Na het overlijden van Andrea was werk in ieder geval nog een troost geweest, maar nu was er nergens meer warmte te vinden.
Toen ik mijn beoordelingsformulieren moest ondertekenen, zei een klein stemmetje in mij toch dat het niet eerlijk was, dus ondertekende ik alleen voor gezien en niet voor akkoord. Niet dat het veel zou uitmaken, dacht ik nog, maar toch.
Ik begon steeds eerder naar kantoor te komen. Zo kon ik de eerste uren alleen doorbrengen en al vroeg naar huis als mijn werkuren er weer opzaten. Mijn boterhammetjes nam ik mee en als het even kon, ging ik een stukje wandelen in de lunchpauze. Af en toe kwam er nog eens een collega naar me toe om iets te vragen, altijd werkgerelateerd en als ze het antwoord hadden, was ik weer een beetje overbodiger geworden.
Hoe overbodig ik was geworden, merkte ik een aantal maanden later. Ik was weer vroeg op kantoor, dus natuurlijk zag ik maar een paar andere vroege vogels van andere afdelingen. Maar na 2 uur was er nog niemand van mijn directe collega’s. Bij de koffieautomaat kwam ik Alice, het hoofd van personeelszaken tegen.
“Ha Sjaak!” zei ze verbaasd. “Wat doe jij hier nou?”
“Hoe bedoel je?”
“Ja, jullie hebben toch je teamuitje vandaag?”
Ik begreep ineens waar de uitdrukking ‘met stomheid geslagen’ vandaan komt. Het voelde alsof ik een stomp in mijn maag kreeg en ik kon geen woord uitbrengen. Met de stomp leken ook alle woorden uit me weggeslagen te zijn. Ik kon haar alleen maar, nu echt met open mond aankijken.
En dus viel er een ongemakkelijke stilte waarbij zij vooral steeds zenuwachtiger werd en bijna wanhopig wachtte op het doorlopen van haar koffie. Toen die klaar was mompelde ze iets over een afspraak en maakte ze zich snel uit de voeten. Ik bleef achter en staarde naar de koffieautomaat.
Tot de volgende collega van een andere afdeling koffie kwam halen.
“Ha Sjaak! Moest jij niet mee vandaag naar Amsterdam?” Met een joviale klap op mijn schouder.
“Eh nee,” stamelde ik. De collega had de vraag proforma gesteld en was niet geïnteresseerd in het antwoord. Hij had alleen nog oog voor de capsules en de koffiemelk.
Met hangende schouders liep ik terug naar mijn werkplek. Ik voelde me nietig en nutteloos en vooral doodmoe. Moe tot in het merg. Omdat ik toch niet zoveel te doen had, borg ik mijn spullen op en ging naar huis. Niemand zou me missen. Dacht ik.
De volgende dag lukte het me om me naar mijn werk te slepen en me te installeren op een afgelegen werkplekje. Collega’s stroomden de kantoortuin in en praatten opgewekt en enthousiast over het uitje van de vorige dag. Af en toe keek iemand even in mijn richting, maar dat was meer zoals je naar de kamerplant kijkt, dan naar een medemens. Halverwege de ochtend zag ik Alice bij Missy in haar geclaimde vergaderzaal binnenstappen. En aangezien Missy’s hoofd steeds roder werd, was het niet echt een heel fijn gesprek. Maar Missy zou Missy niet zijn, als ze niet haar charme en vlotte babbel in de strijd zou gooien. Dus na een klein half uurtje liepen beide dames lachend de vergaderzaal uit en was alles weer koek en ei. Ze lachten allebei, maar Missy’s lach bevroor even toen ze mij zag kijken. En haar blik werd niet alleen koud, nu sprak er ook onverholen haat uit. Het gesprek was blijkbaar over mij gegaan en het feit dat ik niet mee was op het teamuitje. En Missy hield er niet van om op het matje geroepen te worden. Mijn maag draaide zich weer om. Letterlijk, ik kon nog net de toiletten bereiken voor mijn muesli weer bovenkwam.
Toen ik terugkwam, liep ik Alice tegen het lijf. “Gaat het wel Sjaak?” vroeg ze bezorgd. “Ik heb iets verkeerds gegeten, denk ik,” antwoordde ik maar. Wat moest ik anders zeggen? “Rustig aan en als het niet gaat, gewoon naar huis en uitzieken,” zei ze vriendelijk. Ik bedankte haar en liep naar mijn werkplek, waar Missy al op me stond te wachten. “`Sjaak, we moeten even praten. Loop je even mee?” “Ik kom er zo aan. Even mijn werkplek opruimen.” Ze keek behoorlijk chagrijnig om, maar kon daar niets van zeggen en stapte driftig ‘haar’ vergaderzaaltje in. Ik sloot mijn laptop af, borg alle spullen in mijn locker en liep naar haar toe. Inmiddels had ze iemand aan de telefoon gekregen, dus ik wachtte beleefd bij de glazen deur. Ze leek een stuk vrolijker en lachte met de persoon aan de andere kant van de lijn. Tot ze mij zag en haar gezicht weer verstarde en haar blik weer ijzig werd. Ze hing op en wenkte me binnen.
“Sjaak, we hebben het al eens over je bereikbaarheid gehad, maar ik heb weer een klacht binnengekregen. Ik begreep dat je gistermiddag niet op kantoor was en ik kan nergens een verlofaanvraag van je vinden. Dat kan natuurlijk niet. Ik ga hiervan een officiële waarschuwing maken.”
Ik was met stomheid geslagen en had geen idee hoe ik hierop kon antwoorden. Het complete team was niet aanwezig vanwege een uitje waar ik als medeteamlid helemaal niets van wist en ik zou een aantekening in mijn dossier krijgen, omdat ik naar huis was gegaan nadat ik dit had gehoord? Wat waren dit voor rare spelletjes?
“Eh… ik voelde me niet goed. Vandaag eigenlijk nog steeds niet, maar er was niemand op kantoor.”
“Dat is natuurlijk geen excuus. Ik ben altijd telefonisch bereikbaar, maar ik heb niets van je gehoord.”
“Nee dat klopt.” Ik voelde hoe het bloed naar mijn hoofd stroomde en ik zag alleen nog haar rode lippenstift in een smerige grijns op haar gezicht. En ik probeerde de woede te beheersen, maar toen ze op haar laptop begon te typen, lukte dat niet meer. Ik beende naar haar tafel en klapte haar laptop dicht. Ze kon nog net op tijd haar vingers terugtrekken.
“Dat klopt inderdaad,” gromde ik. “Dat ik me niet goed voelde komt door jou en je smerige spelletjes. Ik kwam op kantoor en hoorde van collega’s van een andere afdeling dat MIJN TEAM een uitje had? Waar ik dus niet voor was uitgenodigd, sterker nog, die zo ongeveer voor mij geheim gehouden is?” Inmiddels praatte ik niet meer op gedempte toon. Ik was boos en dat was zeer duidelijk te horen. Ook in een kantoortuin verderop. “En je betrekt me nergens bij, je hebt je mond vol van het in hun kracht zetten van medewerkers en ondertussen ben je druk bezig om mij kracht te ontnemen? Je roept me op het matje alsof ik een klein kind ben en je zorgt er ondertussen voor dat ik nog nauwelijks werk heb door mijn taken door anderen te laten uitvoeren en alweer zonder dat je mij dat laat weten. Waar de FUCK ben jij mee bezig? Wil je me kapotmaken?”
Dit was natuurlijk de totaal verkeerde zet in het spel. Toen mijn tirade begon, keek Missy me nog strijdbaar aan, maar nadat het uitje ter sprake was gekomen veranderde haar strategie. Ze schoof langzaam verder van me weg en probeerde me angstig aan te kijken. Ik zag het glimpje spot in haar ogen, maar voor de collega’s die het tafereel van achter het glas volgden, zag het eruit alsof ze doodsbenauwd voor me was. Intussen was Alice naar het tumult gelopen.
“Wat is hier aan de hand?” zei ze op strenge toon. Missy zag haar kans schoon om zichzelf te redden en mij verder te vernederen en begon te huilen. “Sja-ha-ha-haak bedreigt muhuhuhuh,” snikte ze. “WHAT DE FUCK,” riep ik. “Ze staat te liegen!” Ik kon me nog net inhouden om niet tegen de deur te schoppen.
Ik zag collega’s geschokt kijken naar wat er gebeurde en sommigen keken met een aan haat grenzende afkeer naar me.
Alice duwde Missy voorzichtig op een stoel en draaide zich daarna om naar mij. “Sjaak, zou jij misschien even in mijn kantoor willen gaan zitten? Ik kom er zo aan.” Ze keek vriendelijk en dat gaf me een glimpje van hoop en vertrouwen. Ondertussen probeerde ze Missy wat te troosten en liet ze een andere collega een glas water voor haar halen. Ik liep naar haar kantoor en probeerde de blikken van collega’s te negeren. Het was een kantoorvariant van de walk of shame.
Ik wachtte in Alices kantoor en voelde me intens moe. Toen Alice binnenkwam, keek ik niet eens op. Ik wist het niet meer. Ik wist niets meer. Ze schoof een stoel naast me en legde haar hand op mijn schouder. “Wat is er aan de hand, Sjaak? Zo ken ik je helemaal niet?” Ik kon haar alleen maar aankijken. Ik had geen woorden meer en geen energie om ze te zoeken. Ik zat in een stoel en keek naar haar. En toen begon ik te huilen. Heel hard te huilen.
Alice trok een pakje zakdoekjes uit haar tas en gaf ze aan me. Dat kalmeerde me een beetje. Ik droogde mijn tranen, snoot mijn neus en keek haar aan. Ze keek vriendelijk terug. Totaal anders en vooral menselijker dan de blikken die ik van Missy kreeg. En ik begon bijna weer te huilen.
“Wat is er allemaal aan de hand?” vroeg ze vriendelijk. En ik kotste het heel verhaal bijna uit. Ik heb denk ik wel een half uur lang aan een stuk door verteld over het buitengesloten worden en hoe Missy zich tegenover mij gedroeg en over de druppel van de waarschuwing die volkomen onterecht was, naar mijn idee. Alice luisterde alleen maar en toen ik uitgeraasd was, bleef ze even stil.
“Weet je, Sjaak, het is niet dat ik je niet geloof, maar Missy vertelt een totaal ander verhaal. Ze is al een paar keer bij me geweest omdat ze klachten over je had en om me te vragen hoe we jou konden motiveren. Ze zei dat ze zich zorgen over je maakte en vandaag was ze ook erg bang voor je geweest. En ik zie ook een totaal andere Sjaak dan ik gewend ben. Je had zelfs voor het eerst een slechte beoordeling! Hoe kan dat allemaal?”
Ik keek haar even vol ongeloof aan. En realiseerde me dat ik nieuw was bij dit spel en dan Missy niet alleen geroutineerd was, maar ook de spelregels bepaalde.
“Sjaak, omdat dit zo niet kan, hebben we een voorstel voor je. Ik had het nog niet aan je willen geven, omdat ik graag eerst met je wilde praten om je nog een kans te geven, maar na wat ik vandaag van je heb gezien, zie ik geen andere oplossing.
Ze pakte een envelop van haar bureau en gaf hem aan mij. “Persoonlijk overhandigen” stond er met koeienletters op geschreven. “Kijk er rustig naar en laat ons zo snel mogelijk weten wat je ervan vindt.”
Volledig lamgeslagen nam ik de envelop aan. “Ik zou nu graag naar huis gaan. Is dat mogelijk?”
“Als je je spullen in de locker doet, mag je wat mij betreft naar huis. Ik zal aan Missy doorgeven dat je vandaag niet meer komt.”
“Mijn spullen liggen al achter slot en grendel,” antwoordde ik, terwijl ik haar kantoor uitliep. En zonder te kijken naar collega’s en vooral zonder te kijken naar Missy liep ik terug naar de kantoortuin, pakte mijn jas en liep het pand uit.
‘Grijze klevers’ zoals Missy me noemde, waren kennelijk een plaag die uitgeroeid moesten worden. De envelop bevatte een voorstel om mijn arbeidscontract te ontbinden tegen een behoorlijk royaal bedrag. Royaler dan zou hoeven, wist mijn advocaat te vertellen. Ik ben dus maar akkoord gegaan en alleen nog teruggeweest om de papieren te ondertekenen. Missy was er gelukkig niet, maar bij de receptie stond toch een bloemetje te wachten met een kaartje ‘Bedankt voor je inzet en succes in de toekomst’. Ik heb de bloemen laten staan en alleen nog mijn koffiemok meegenomen. Want die had ik ooit nog van Andrea gekregen.
Omdat de situatie onhoudbaar zou zijn werden mijn vakantiedagen aan de opzegtermijn geplakt waardoor ik sowieso een groot aantal maanden betaald thuis kon zitten, zonder me druk te hoeven maken over een uitkering of sollicitatieplicht. Volgens mijn advocaat was dat fijn, zodat ik bij kon komen van alle stress van het werk, maar voor mij was het een groot zwart gat. Mijn dagelijkse rituelen waren wreed verstoord en ik had geen idee wat ik met al die vrije tijd moest doen. De muren in mijn huis kwamen normaal gesproken pas ‘s avonds op me af en dan kon ik op tijd naar bed, maar nu voelde het huis al te klein bij het opstaan. Ik probeerde op een normale tijd op te staan en dan een stuk te wandelen, maar zinloos wandelen was nooit mijn ding geweest. Dus na verloop van tijd kwam ik alleen nog maar mijn bed uit om naar het toilet te gaan, boodschappen te doen en te eten. Hoewel ik dat laatste bij voorkeur ook in bed deed. Mijn bed was smerig, mijn huis was smerig en ik was smerig. Maar de pizzabezorger deed daar niet zo moeilijk over, zeker niet als ik hem een forse fooi gaf.
Andrea en ik hadden nooit veel vrienden gehad. We waren meestal samen en dat was genoeg. En na haar overlijden was het contact met de meeste vrienden en familieleden een stuk minder geworden. Zij was toch wel de lijm die mijn sociale leven bij elkaar hield. Ook mijn eigen familie sprak ik bijna niet meer. Af en toe een email of een kort telefoongesprek en dat was het wel. Niemand in mijn omgeving wist van mijn ellende op het werk en mijn ontslag.
Ik sleepte me door de dagen heen. Nadenken over wat ik nu moest of zelfs over wat er gebeurd was, probeerde ik zo min mogelijk. Dankzij Netflix kon ik veel tijd verdrijven met films en series, waar ik non-stop naar keek, maar waar niets van bleef hangen. ‘s Nachts droomde ik kleurloze stomme films waarin niet veel gebeurde.
Na een aantal weken viel het personeelsmagazine op de mat. Met op de voorkant een foto van een breed lachende Missy met daaronder de kop: “Onze reddende engel”. Ik zocht snel het artikel dat erbij hoorde en las een ware lofzang op wat Missy allemaal gedaan had om het bedrijf ‘naar een hoger plan te tillen’. En hoe sympathiek ze wel was, en hoe ze altijd ‘de menselijke maat in het oog hield’. Hoe ze de ‘people’ belangrijker vond dan de
‘Profit’ maar dat wel de winst behoorlijk was gestegen sinds zij aan het roer stond. Naarmate ik het artikel verder las, begon mijn bloed steeds meer te koken. En na de zin: “Ik heb soms met pijn in mijn hart harde beslissingen moeten nemen, maar die zijn gelukkig voor iedereen altijd weer goed uitgepakt, zowel voor de betrokkenen als voor het bedrijf.” smeet ik het blad woest door de woonkamer. “Wat een dikke vette BULLSHIT! Wat een onzin! Missy is de duivel herself en jullie tuinen er allemaal in! Sukkels! GODVERDOMME!” En daar hield het gooien niet op. Ik smeet alle halflege glazen drank over de tafel, de pizzadozen tegen de muur en uiteindelijk de bank omver. Toen kalmeerde ik een beetje.
Het magazine was, uiteraard, met de cover naar boven op de grond gevallen. Missy bleef me lachend aankijken en mijn woede steeg weer. Ik was meestal een vredelievend mens en kende deze blinde haat voor iemand niet. Maar de haat was er. Diep, zwart, kolkend en met een intensiteit waar ik bijna bang van werd. Ik stond op en liep naar de badkamer.
Fris gewassen en geschoren stapte ik in mijn auto. Het was tijd voor verandering. Als eerste besloot ik om mijn oude kleine fiatje in te ruilen. En dankzij mijn mooie handdruk kon ik er een groter glimmender en iets nieuwer exemplaar voor terugkopen. En daarna reed ik langs de electronicaboer voor een mooie nieuwe laptop, want mijn oude had het gooien met halfvolle glazen niet overleefd. En zonder computer ben je tegenwoordig natuurlijk nergens meer. En mijn volgende stop was bij de sportschool. De pizzakilo’s moesten er maar eens af.
Langzaam begon mijn leven weer meer vorm te krijgen. Discipline deed me goed. Elke ochtend fietste of rende ik naar de sportschool. Daarna was het tijd voor een gezonde lunch en pakte ik mijn laptop om het internet af te speuren. Aan het einde van de middag jogde ik nog een rondje door het park en voor ik lekker op tijd naar bed ging, mocht ik van mezelf nog een aflevering van een serie of een film op Netflix kijken. Ik voelde me sterker worden, zowel geestelijk als lichamelijk. En ik verbaasde me hoeveel je van het internet kunt leren. En dat je alles wat je maar kon bedenken kon kopen en thuis laten bezorgen. De postbode draaide overuren en mijn bankrekening slonk.
Na zo’n maand of zes belde Alice. Hoe het met me ging. En dat de definitieve datum van mijn uitdiensttreding nabij was. En of ik misschien nog een afscheid wilde. De laatste vraag werd zeer aarzelend gesteld. Ze was zich er terdege bewust van dat mijn vertrek niet zonder problemen was verlopen, maar ja, ze had in het systeem nog een vinkje te zetten bij deze vraag.
“Ik wil graag nog een afscheid. Gewoon in het bedrijfsrestaurant. En ik zal je een lijstje mailen van mensen die ik er graag bij wil hebben. Ik hoop dat je je best kunt doen om ze ook daadwerkelijk te laten komen. Het lijkt me dat je me dat eigenlijk wel een beetje verschuldigd bent.” Ze hakkelde en stotterde als antwoord dat ze het zou regelen. Met een gevoel van morele superioriteit hing ik op.
Toen ik de ochtend van mijn afscheid opstond, voelde ik me licht nerveus. Ik was al maanden niet in het kantoor geweest, had al maanden geen collega’s meer gezien of gesproken en ik wist niet wat ik kon verwachten. Misschien was er wel helemaal niemand op mijn afscheidsborrel…
Ik kleedde me langzaam aan. Nieuw overhemdje, stropdasje, colbertje, keurige schoenen. Pantalon netjes omgeslagen op de schoen, matching sokken. Ik zag eruit om door een ringetje te halen. Niets herinnerde nog aan mijn dagen in mijn joggingbroekje met vette pizzavlekken. Ik zag eruit alsof het heel erg goed met me ging. En dat was ook precies wat ik wilde uitstralen. Aan de buitenkant mochten ze niet zien wat het ontslag met me gedaan had. Niet dat het veel uitmaakte, maar toch.
Toen ik klaar was, gooide ik mijn sporttas op de bijrijdersstoel en reed rustig de weg die ik al duizenden keren had gereden. Maar nu echt voor de laatste keer.
Nieuwsbericht – Bloedbad in kantorencomplex
Almere – Een verwarde man heeft donderdagochtend een bloedbad aangericht in een kantorencomplex in Almere. Hierbij zijn meerdere slachtoffers gevallen. De namen zijn nog niet bekendgemaakt, maar vermoedelijk zijn drie van hen directieleden van een van de bedrijven in het complex
De dader reed in een grijze Hummer door de glazen pui de kantine binnen, waar op dat moment zijn afscheidsborrel zou beginnen. Na de crash sprong hij uit de auto, gooide enkele rookbommen naar de aanwezigen en opende het vuur met een semi-automatisch geweer. Vervolgens beroofde hij zichzelf van het leven, vermoedelijk met een samoeraizwaard.
De exacte toedracht wordt nog onderzocht.
